De stem in je hoofd bepaalt hoe je leert

Gepubliceerd op 10 mei 2025 om 19:58

Waarom positieve zelfspraak geen zweverigheid is, maar hersentraining

“Ik kan dit niet.”
“Het lukt toch nooit.”
“Waarom zou ik het proberen?”

Het zijn zinnen die leerlingen zelden hardop uitspreken in de klas, maar die wel degelijk door hun hoofd gaan. Vooral wanneer iets moeilijk is, of als ze een slechte ervaring hebben gehad met een toets of vak. En hoewel die gedachten logisch lijken, hebben ze wél invloed – op het brein, op motivatie en op leerprestaties.

 

Wat leerlingen tegen zichzelf zeggen tijdens het leren, bepaalt in grote mate hoe ze leren. Sterker nog: het is bepalend voor hoe het brein zich ontwikkelt.

Zelfspraak: hoe het brein naar zichzelf luistert

Iedereen praat tegen zichzelf, ook al is dat vaak onbewust. Die innerlijke dialoog wordt in de neurowetenschap “inner speech” genoemd. Het speelt zich af in de prefrontale cortex (voor reflectie en zelfsturing) en het cingulate cortex, dat betrokken is bij aandacht en foutdetectie.

Bij negatieve zelfspraak – zoals “ik ben hier gewoon niet goed in” – activeert het brein stresscircuits. Het gevolg:

  • Minder activatie in het werkgeheugen

  • Lagere motivatie

  • Grotere kans op vermijdingsgedrag (bijv. uitstellen, niet durven vragen, afraffelen)

Bij positieve zelfspraak – “dit is lastig, maar ik kan het oefenen” – wordt het dopaminesysteem geactiveerd. Dit versterkt:

  • Focus en doorzettingsvermogen

  • Bereidheid om fouten te accepteren en bij te sturen

  • Groeigerichte verwerking van informatie

Met andere woorden: de inhoud van je zelfspraak bepaalt of het brein in de leerstand gaat, of in de vermijdstand.

Pubers en hun zelfbeeld

In de brugklas gebeurt veel tegelijk: nieuwe vakken, nieuwe verwachtingen, nieuwe sociale vergelijking. Het zelfbeeld van pubers is in deze fase extra kwetsbaar. Eén onvoldoende of een negatieve ervaring kan zomaar bevestigd worden door de innerlijke stem: “Zie je wel, ik ben slecht in wiskunde.”

Als deze gedachte regelmatig terugkomt, ontstaat er een neurale gewoonte. Het brein herhaalt patronen die bekend zijn, ook als ze niet helpend zijn. Dit fenomeen heet neuroplasticiteit. Gelukkig werkt het ook de andere kant op: als leerlingen leren om hun zelfspraak te herkennen én bij te sturen, kunnen ze hun brein herprogrammeren.

Wat kun je als ouder doen?

Je hoeft geen coach of psycholoog te zijn om hier verschil in te maken. Dit zijn drie manieren waarop je thuis een positieve invloed kunt uitoefenen:

1. Normaliseer fouten

Geef aan dat fouten niet ‘falen’ betekenen, maar informatie opleveren. Stel vragen als:

  • “Wat ontdekte je doordat het niet meteen lukte?”

  • “Wat zou je een volgende keer anders doen?”

2. Help bij het herschrijven van gedachten

Als je kind zegt:

“Ik snap dit nooit.”
Zeg dan:
“Je snapt het nog niet. Wat helpt je om de volgende stap te zetten?”

Of:

“Ik ben hier gewoon dom in.”
Herschrijf dat naar:
“Ik vind dit lastig, maar ik kan het oefenen.”

3. Let op je eigen taalgebruik

Als ouder geef je het voorbeeld. Vermijd uitspraken als:

  • “Jij bent gewoon geen talenmensch.”

  • “Wiskunde ligt jou gewoon niet.”

Zeg liever:

  • “Je hebt hier misschien meer oefening voor nodig.”

  • “Je pakt het op je eigen manier aan.”

Conclusie

De stem in het hoofd van een leerling is niet zomaar wat geklets. Het is een krachtig mechanisme dat letterlijk het leervermogen aanstuurt.
Negatieve zelfspraak ondermijnt motivatie, focus en zelfvertrouwen.
Positieve zelfspraak versterkt groei, inzet en leerresultaat.

Het brein doet wat het vaak doet. Help je kind dus om te oefenen in denken als een leerling die zichzelf serieus neemt – ook als het even tegenzit.

Meer lezen?